Zij dook dan weg in haar jas. Kastanjebruine lokken vermengden zich met het bontje op haar capuchon.
Het viel hem op dat ze zijn oorbellen in had. Kleine zwarte veertjes, paarse kraaltjes. Hand in hand over Piazza della Signoria. Gekocht bij een jochie dat ze al iedere dag meerdere keren lastig viel met prullaria. Ze hadden hem steeds weggestuurd, maar die avond was echter zo bijzonder geweest dat het kleine ventje geluk had met zijn timing. Zij was gelukkig geweest. Vorige zomer toen hij haar opzocht in Florence.
Twee seizoenen verder zaten ze hier. De cappucinno van het koffiehuisje was prima maar kon niet tippen aan Firenze. Hij zag aan alles dat niks in Leiden kon tippen aan haar Italiaanse jaar. Ze hadden ook niet hand in hand over Het Gerecht gelopen.
Blauwe ogen zochten de zijne en vingen ze, net iets te lang. De koetjes en kalfjes waren op.
Waarom schrijf je niet meer?
Hij keek weg, raapte een viltje van tafel en begon er mee te spelen.
Keek langs haar heen naar buiten.
Creatief beknopt en emotioneel afgestompt en buiten is het grauw.
Welkom winter.
Je kon leven op beloftes. Je kon zelfs leven als belofte, maar ooit moet je kunnen voldoen. Dit was zo’n moment. Een belofte van geborgenheid. En hij zou zijn woord niet houden.
Lief en kalm.
Té lief en té kalm.
Hij moest wel wegkijken.
Hij liet het viltje soepel en speels door zijn vingers glippen en legde het op tafel.
Ze pakte meteen zijn hand vast. Alsof ze wilde zeggen dat er voor spelletjes nu geen tijd meer was.
Kijk me eens aan.
Te lief en te kalm.
Hij keek haar aan. Ze glimlachte. Hij voelde haar duim zijn hand strelen.
Ik zou zo graag willen dat je weer ging schrijven.
Ik ga ook wel weer schrijven.
De warme deken van stilte viel op de koude vloer.
Je schrijft al bijna twee jaar niet meer.
Ze had gelijk.
Je hebt me een boek beloofd. Je hebt de hele wereld een boek beloofd.
Ze had gelijk.
Zijn boek, de belofte der beloftes.
Blok aan zijn been.
Het lukt me niet, ik krijg het niet af.
Ze trok haar hand terug.
Jij schrijft niet meer vanwege mij.
Hij bleef haar aankijken, maar zei niets. Wat kon hij ook zeggen?
Ze schudde haar hoofd en zocht door haar tas. Aansteker en sigaret.
Ze keek hem aan toen ze haar eerste hijs uitblies.
Echte muzes roken niet dacht hij nog.
Zij is het niet
Weet je dat je een fee bent?
Dat wist ze niet.
Je bent goed, lief en je kunt toveren.
Wat kan ik toveren dan?
Stomme dingen, dingen die je zegt, dingen die je doet, dingen die je me smst.
Maar ik voel me er goed door. Dat is toveren.
Ze moest glimlachen.
Hij liet het viltje weer door zijn vingers glijden.
Zij nam nog een hijs.
Hij wist niet of het meisje achter de bar ook goede billen had, maar ze had wel een strak shirtje aan.
Een cappuccino en een thee. Zij nam zijn koekje want dat mocht altijd.
Ben jij een katten of een hondenmens?
Dat heb je me al zo vaak gevraagd, een kattenmens.
Hij vroeg dat inderdaad vaak aan meisjes, dat vergat hij steeds weer.
Hij kon leven op beloftes. Hij kon zelfs leven als belofte, maar nu was het dan allemaal opgehouden.
Hij legde het viltje neer op tafel en leunde achterover.
Studiepunten kon ze niet voor hem niet toveren en hij zou niet zomaar weer gaan schrijven. Niet zonder muze.
Ben ik je fee, of je vriendin?
Hij antwoorde. Te oprecht en te snel.
Haar sigaret ruste ze in de asbak en ze greep haar tas. Hij leunde nog steeds bewegingsloos achterover.
Ze haalde een enveloppe uit haar tas en schoof deze onder zijn hand.
Hij keek naar de enveloppe en toen naar haar gezicht.
Een laatste tikje op zijn hand, wanhopig en liefdevol. Een wrange glimlach.
Hij had haar pijn gedaan.
Haar laatste woorden
Het was een smeekbede.
Ze keek niet om en hij bleef haar nakijken tot ze de hoek om was.
Hij zag zichzelf in het glas, hij had een kil gezicht.
De enveloppe heeft hij nooit geopend.