donderdag 26 januari 2012

Muzes roken niet

Ze zaten aan het tafeltje in de hoek naast de deur omdat zijn favoriete tafeltje op de verhoging bezet was door twee Spaans sprekende uitwisselingsstudenten. Elke keer wanneer de deur openging trof de gure wind frontaal doel.
Zij dook dan weg in haar jas. Kastanjebruine lokken vermengden zich met het bontje op haar capuchon.

Het viel hem op dat ze zijn oorbellen in had. Kleine zwarte veertjes, paarse kraaltjes. Hand in hand over Piazza della Signoria. Gekocht bij een jochie dat ze al iedere dag meerdere keren lastig viel met prullaria. Ze hadden hem steeds weggestuurd, maar die avond was echter zo bijzonder geweest dat het kleine ventje geluk had met zijn timing. Zij was gelukkig geweest. Vorige zomer toen hij haar opzocht in Florence.
Twee seizoenen verder zaten ze hier. De cappucinno van het koffiehuisje was prima maar kon niet tippen aan Firenze. Hij zag aan alles dat niks in Leiden kon tippen aan haar Italiaanse jaar. Ze hadden ook niet hand in hand over Het Gerecht gelopen.
Blauwe ogen zochten de zijne en vingen ze, net iets te lang. De koetjes en kalfjes waren op.



Waarom schrijf je niet meer?



Hij keek weg, raapte een viltje van tafel en begon er mee te spelen.
Keek langs haar heen naar buiten.



Het Gerecht was troosteloos, meer dan dat kon hij er niet van maken.
Creatief beknopt en emotioneel afgestompt en buiten is het grauw.
Welkom winter.

Je kon leven op beloftes. Je kon zelfs leven als belofte, maar ooit moet je kunnen voldoen. Dit was zo’n moment. Een belofte van geborgenheid. En hij zou zijn woord niet houden.



Ze keek hem nog steeds aan.
Lief en kalm.

Té lief en té kalm.
Hij moest wel wegkijken.
Hij liet het viltje soepel en speels door zijn vingers glippen en legde het op tafel.
Ze pakte meteen zijn hand vast. Alsof ze wilde zeggen dat er voor spelletjes nu geen tijd meer was.
Kijk me eens aan.
Te lief en te kalm.
Hij keek haar aan. Ze glimlachte. Hij voelde haar duim zijn hand strelen.
Ik zou zo graag willen dat je weer ging schrijven.
Ik ga ook wel weer schrijven.

De warme deken van stilte viel op de koude vloer.

Je schrijft al bijna twee jaar niet meer.
Ze had gelijk.




Je hebt me een boek beloofd. Je hebt de hele wereld een boek beloofd.
Ze had gelijk.




Zijn boek, de belofte der beloftes.
Blok aan zijn been.




Het lukt me niet, ik krijg het niet af.
Ze trok haar hand terug.
Jij schrijft niet meer vanwege mij.
Hij bleef haar aankijken, maar zei niets. Wat kon hij ook zeggen?
Ze schudde haar hoofd en zocht door haar tas. Aansteker en sigaret.
Ze keek hem aan toen ze haar eerste hijs uitblies.




Echte muzes roken niet dacht hij nog.
Zij is het niet




Weet je dat je een fee bent?
Dat wist ze niet.
Je bent goed, lief en je kunt toveren.
Wat kan ik toveren dan?
Stomme dingen, dingen die je zegt, dingen die je doet, dingen die je me smst.
Maar ik voel me er goed door. Dat is toveren.
Ze moest glimlachen.
Hij liet het viltje weer door zijn vingers glijden.
Zij nam nog een hijs.



Wil je nog wat drinken?



Hij keek haar na toen ze naar de bar liep. Ze had wel goede billen.
Hij wist niet of het meisje achter de bar ook goede billen had, maar ze had wel een strak shirtje aan.
Een cappuccino en een thee. Zij nam zijn koekje want dat mocht altijd.



Hij roerde en keek weer naar buiten. Een man liep voorbij met zijn hond.
Ben jij een katten of een hondenmens?
Dat heb je me al zo vaak gevraagd, een kattenmens.
Hij vroeg dat inderdaad vaak aan meisjes, dat vergat hij steeds weer.



Hoe gaat het met je studie?



Eerst zijn boek, nu zijn studie.
Hij kon leven op beloftes. Hij kon zelfs leven als belofte, maar nu was het dan allemaal opgehouden.
Hij legde het viltje neer op tafel en leunde achterover.



Ik red me wel.


En dat was het dan.
Studiepunten kon ze niet voor hem niet toveren en hij zou niet zomaar weer gaan schrijven. Niet zonder muze.



Ben ik je fee, of je vriendin?
Hij antwoorde. Te oprecht en te snel.



Haar sigaret ruste ze in de asbak en ze greep haar tas. Hij leunde nog steeds bewegingsloos achterover.
Ze haalde een enveloppe uit haar tas en schoof deze onder zijn hand.
Hij keek naar de enveloppe en toen naar haar gezicht.
Een laatste tikje op zijn hand, wanhopig en liefdevol. Een wrange glimlach.
Hij had haar pijn gedaan.



Ga weer schrijven.
Haar laatste woorden
Het was een smeekbede.



Toen liep ze weg. Deur open, heel kort, maar toch heel guur.
Ze keek niet om en hij bleef haar nakijken tot ze de hoek om was.
Hij zag zichzelf in het glas, hij had een kil gezicht.
De enveloppe heeft hij nooit geopend.

Eerste sigaret van het jaar

Dit was mijn eerste sigaret van het jaar. Vorig jaar had ik er twee. Een paar jaar eerder mijn allereerste. Maar die telde niet echt. Geen eigen initiatief, maar onderdeel van een foto-shoot. Ik vond het prima. Op de posters blies ik geen rook uit maar zeepbellen. Onschuldiger kan niet.


Toen mijn opa op zijn beurt geen zeepballen uit blies maar zijn laatste adem – longkanker – heeft hij me op zijn sterfbed gevraagd nooit te beginnen met roken. Hij verbood het me te beloven. Wellicht het enige dat me ooit is verboden want mijn familie heeft me vooral vrij opgevoed.


Dit maakt het roken van een sigaret toch tot iets gewichtigs voor mij. Ik heb het idee dat het moment aan eisen moet voldoen. Het moet het ‘waard’ zijn. Het dichterlijke romantiseren. Een foto-shoot had daar dus niks mee te maken.. maar dat telde dus ook niet echt.


Als je het zo bekijkt was de eerste sigaret van vorig jaar mijn allereerste. Die sigaret was nodig. Een lange emotionele avond, foute beslissingen, harde woorden, naderend onheil en grote problemen. Tesamengekomen in een confronterend gesprek tussen vrienden. Een had iets doms gedaan, twee deden een poging tot ‘damage-control’. Het duurde de hele nacht. Dageraad, stilte en besef traden in, zij staken een peuk op. Op zo’n moment is het moment zelf de baas. Tweede peuk, eerste dat jaar, eerste die telde, eerste die moest.


Derde peuk. Tweede dat jaar, tweede die telde. Op zolder van de kroeg met de IKEA huiskamer, een huisgenoot die naast me voor de vierde keer op de bar in slaap was gevallen en in gesprek met een meisje dat ik weleens geregeld had en intussen een reeds samenwonende lesbiene was. Peuk in mijn bek. Waarom? Niks gewichtigs, niks dichterlijk romantiseren. Bezopen.


Vierde peuk, eerste van dit jaar. Gisteravond. Nodig.


Jaren terug moesten mijn broertje en ik logeren bij vrienden van mijn moeder. Ik en de oudste van hun kinderen waren die zondagochtend erg vroeg wakker. Hij wilde een spelletje doen. Hij koos Risk. Ik voelde er weinig voor een jochie van zeven te vermorzelen terwijl ik al wel een paar jaartjes ouder was, maar verliezen wil ik nooit. Ik veroverde de wereld en kleine Ruben zat huilend aan het ontbijt. Ik raak meer bevangen in spelletjes dan goed voor me is.


En veel is er niet veranderd. Spelletjes komen en gaan. Ik laat me minder vaak meeslepen maar zodra iemand een spelletje met met aan gaat wil ik winnen. Ik voel er weinig voor een chick van negentien te vermorzelen terwijl ik al wel een paar jaartjes ouder ben, maar verliezen wil ik nooit. Anders dan een jochie van zeven zoekt ze mijn grenzen op. Dapper, want zelfs ik wil niet weten waar die liggen.


Ik raak meer bevangen in spelletjes dan goed voor me is.


Korte avond, goede beslissingen, weinig woorden, ómdat ik met een huisgenoot ging roken. Binnen een paar minuten van gefrustreerd en wraakzuchtig naar ongeinteresseerd en barmhartig. Daar wegen geen afschrikwekkende teksten op pakjes tegenop.


Dichterlijk romantiserend?


Mijn opa zou haar geen peuk waard hebben gevonden